De American Academy of Neurology, een beroepsorganisatie voor neurologen, meldt nieuwe bevindingen over oestrogeentherapie en alzheimer. In een studie onder 21.462 vrouwen hing het gebruik van uitsluitend oestrogeen op latere leeftijd samen met minder klinische dementiediagnoses en minder alzheimergerelateerde afwijkingen in de hersenen. Het onderzoek verscheen op 12 augustus 2026 in het medische tijdschrift Neurology. De onderzoekers waarschuwen nadrukkelijk dat het om een statistisch verband gaat: de studie bewijst niet dat hormoontherapie dementie voorkomt. Bovendien wijkt het onderzochte gebruik af van de manier waarop deze behandeling tegenwoordig doorgaans wordt voorgeschreven.
- Van de 21.462 deelnemers hadden 1.953 vrouwen oestrogeentherapie gebruikt.
- Het gebruik hing samen met 39 procent lagere odds op een klinische dementiediagnose.
- Bij autopsie waren de odds op tekenen van alzheimer 35 procent lager onder gebruiksters.
- De resultaten kunnen niet zonder meer worden toegepast op de huidige hormoonbehandeling.
Diagnoses, biomarkers en hersenweefsel wijzen dezelfde richting uit
De onderzoekers combineerden medische informatie uit twee grote gegevensbestanden. De vrouwen werden ongeveer drie tot vijf jaar gevolgd, vanaf een gemiddelde leeftijd van 71 jaar. Van alle deelnemers hadden 1.953 vrouwen hormoontherapie gebruikt; 19.509 vrouwen hadden dat niet gedaan. De gebruiksters waren gemiddeld ouder dan 70 toen zij met de behandeling begonnen.
In één gegevensbestand kregen 728 deelnemers een hersenscan of biomarkertest. In het andere werden na overlijden de hersenen van 2.959 vrouwen onderzocht. Hun gemiddelde leeftijd bij de autopsie was 82 jaar.
Na correctie voor onder meer leeftijd, opleiding, genetische kenmerken, afkomst en hoge bloeddruk hing oestrogeengebruik samen met 35 procent lagere odds op alzheimergerelateerde hersenafwijkingen.
Bij de autopsies keken de onderzoekers naar drie kenmerken: plaques van amyloïde-bèta, kluwens van tau-eiwit en zogenoemde neuritische plaques, waarbij amyloïde plaques worden omringd door beschadigde zenuwcellen. Van de vrouwen die hormoontherapie hadden gebruikt, vertoonde 18 procent geen van deze tekenen. Bij de niet-gebruiksters was dat 10 procent.
Alle drie de kenmerken waren aanwezig bij 40 procent van de gebruiksters, tegenover 51 procent van de vrouwen zonder hormoontherapie. Bloed- en hersenvochttests wezen bij gebruiksters eveneens op minder ophoping van amyloïde in de hersenen.
Daarnaast waren de odds op een klinische dementiediagnose 39 procent lager. Gebruiksters vertoonden ook minder vaak geheugenproblemen of achteruitgang bij dagelijkse handelingen.
Dat verschillende meetmethoden dezelfde richting uitwijzen, maakt het verband relevant voor vervolgonderzoek. Het betekent echter niet dat oestrogeen de verschillen heeft veroorzaakt: ook na statistische correcties kunnen andere kenmerken van de deelnemers een rol spelen.
De onderzochte behandeling verschilt van de huidige praktijk
De analyse ging uitsluitend over therapie met oestrogeen. Eerder onderzoek had gesuggereerd dat een combinatie van oestrogeen en progestageen het dementierisico mogelijk verhoogt. Oestrogeen zonder progestageen wordt volgens de huidige medische praktijk alleen voorgeschreven aan mensen bij wie de baarmoeder is verwijderd, vanwege het risico op baarmoederslijmvlieskanker.
Ook de timing vormt een belangrijke beperking. De onderzochte vrouwen begonnen gemiddeld na hun zeventigste, terwijl hormoontherapie tegenwoordig doorgaans vanaf eind veertig of begin vijftig wordt gestart en vóór het zestigste levensjaar wordt beëindigd.
Voor patiënten en behandelaars betekent dit dat de uitkomsten geen reden vormen om oestrogeentherapie te beginnen of voort te zetten met als doel dementie te voorkomen.
Studieauteur Jennifer Bruno van Stanford Medicine zei dat meer onderzoek nodig is voordat aanbevelingen over hormoontherapie en hersengezondheid mogelijk zijn. Volgens haar zijn de resultaten informatief, maar mogelijk niet van toepassing op de huidige behandelstandaarden. De studie werd ondersteund door het National Institute on Aging.
Vindt u dat vervolgonderzoek vooral moet kijken naar de huidige manier en timing van hormoontherapie? Deel uw visie.































